Computertje

De man pakte zijn boodschappen in. Het meisje achter de kassa keek toe terwijl de bon uit het kassaregister tevoorschijn kwam. Nadat de bon geprint was scheurde zij hem af en vroeg ze routineus: "wilt u de bon?" De man nam haar aanbod aan. "Jazeker," zei hij, en vervolgde zoals gewoonlijk met het obligate "voor de administratie."

Die opmerking zorgde voor een blik van herkenning bij het meisje. "O ja, nou weet ik het weer" zei ze behulpzaam, en overhandigde hem het papiertje.

"Bewaar je nou alle bonnen?" vroeg ze licht verwonderd. De man schudde langzaam zijn hoofd. Het inpakken en het beantwoorden van haar vraag zorgde voor een tijdelijke overbelasting. Dat zorgde ervoor dat zijn mond ging voorlopen op zijn hersenen. "Ik houd mijn uitgaven bij op de computer," begon hij moeizaam.

Onmiddellijk had hij spijt van zijn opmerking. Maar er was geen weg meer terug. Hij moest door met zijn verhaal. "Als ik het bedrag in mijn computertje heb gezet gooi ik het bonnetje weg," strompelde hij verder, intern vloekend over zijn onnodige uitweiding.

Eigenlijk had hij willen zeggen dat hij een huishoudboekje bijhield. Maar dat dit huishoudboekje de vorm had aangenomen van een computerprogramma. Niet een programma op zijn gewone PC of laptop, maar op zijn handcomputertje. Moedeloos besefte hij dat niemand zijn gedachtengang interessant vond. Waarom was hij ooit begonnen over een computer?

Uit de blik van het meisje achter de kassa besefte hij dat ook zij zich dat afvroeg. Hij pakte zijn spullen bij elkaar.

"Doei" zei ze opgewekt. "Doei" zei de man. De schuifdeuren sloten zich achter hem.