David Hand - Het Onwaarschijnlijkheidsprincipe



David Hand, emeritus hoogleraar wiskunde van de statistiek aan het Imperial College in Londen, heeft meer titels, baantjes en bijbaantjes dan het aantal winnende loten van de gelukkigste loterijspeler ooit. Hij heeft echter minder ridderslagen gehad van de koningin van Engeland (namelijk één) dan blikseminslagen die majoor Summerford in zijn leven heeft moeten verduren (een heleboel).

Het Onwaarschijnlijkheidsprincipe, originele titel The Improbability Principle: Why Coincidences, Miracles, and Rare Events Happen Every Day, vertaald door Han Visserman, is niet bedoeld voor mensen die genezen moeten worden van hun samenzweringstheorieën. Wie zijn god kwijt is, heeft daar nu eenmaal een vervanging voor nodig.
Het boek is wel bedoeld voor mensen die zich afvragen hoe het komt dat er zoveel toevalligheden in het leven zijn. Hand legt uit dat dit wel meevalt. Sterker nog, dat alles eigenlijk net zo toevallig is, maar sommige toevalligheden nu eenmaal meer indruk maken dan andere.
David Hand houdt het rustig met wiskunde: slechts een enkele keer stort hij zich op een eenvoudige berekening om uit te leggen hoe het begrip 'kans' in elkaar zit.

Op heldere wijze legt hij twee dingen uit. Allereerst maakt hij duidelijk dat op basis van kansberekeningen en de factoren die deze berekeningen beïnvloeden de onwaarschijnlijke gebeurtenissen helemaal niet zo onwaarschijnlijk blijken te zijn. Ten tweede legt hij uit dat de meeste mensen kansen ofwel overschatten (de loterij) ofwel onderschatten (de kans dat je twee keer achter elkaar iets (on)plezierigs overkomt).

Het boek hanteert een plezierige, persoonlijke schrijfstijl die nergens belerend of denigrerend is, ondanks de onwetenschappelijke oordelen die hij vaak constateert bij mensen die onwaarschijnlijke gebeurtenissen beschrijven, beoordelen of meemaken.

Het Onwaarschijnlijkheidsprincipe is eigenlijk een soort 'Kansberekening voor dummies'. Er is geen wiskundige achtergrond voor nodig. De schrijver verpakt de diverse regeltjes voor kansberekening in die ene omvattende term 'onwaarschijnlijkheidsprincipe'. Voor hen die thuis zijn in elementaire kansberekening is het een leuke wijze om weggezakte kennis weer wat op te halen; iets nieuws zullen ze niet leren.

Ik miste maar een ding, en dat is de duidelijke uitleg dat, als het over kansberekening gaat, er eigenlijk niets te zeggen valt over het enkele geval, maar slechts over het grote aantal.
Het betekent niets als iemand mij vertelt dat ik een kans van 2% heb op het krijgen van een bepaalde ziekte. Die opmerking betekent slechts dat bij een groep van (laten we zeggen) 1000 personen er tussen de circa 18 en 22 mensen deze ziekte zullen krijgen. Dat is nooit terug te vertalen naar het individuele getal. Zoals de vader van een van mijn wiskundeleraren altijd tegen zijn zoon zei dat de kans altijd 50% is: het gebeurt of het gebeurt niet.

Maar alles op een rijtje gezet is het een boek dat de moeite waard is. Wie Het Onwaarschijnlijkheidsprincipe leest zal zich na afloop niet meer verbazen als hij twee keer achter elkaar de jackpot wint. Of als hij honderd keer achter elkaar verliest.