De Jaren

De man liep vanaf het Rokin bij het Muntplein de Nieuwe Doelenstraat in. Het was warm en vol in de stad. Hij vroeg zich even af of de mensenmassa bijdroeg aan de omgevingstemperatuur. Even stelde de man zijn medemens voor als straalkacheltje. Dat deed hem denken aan de film Soylent Green, waarin dode mensen verwerkt werden tot voedsel voor een overbevolkte wereld.

Zijn gedachtegang werd onderbroken door een groot café. Hij kon zich nog herinneren dat hij er zo'n vijftien jaar geleden voor het eerst was langsgelopen. Toen had hij het nog nooit eerder gezien. Na een blik naar binnen geworpen te hebben constateerde hij dat het café inderdaad nog niet lang tevoren zijn deuren had geopend. Een Italiaans interieur verried de trendy en vroege jaren '90. Het Café heette "De Jaren", maar die moesten toen nog komen.

Hij was het café binnen gegaan. Het was groot en hoog. Er bleek zich een uitgestrekt terras aan de achterzijde te bevinden dat was ingeklemd tussen twee muren van belendende panden. Hij proefde het woord op zijn tong. Belendend. Je kon ook "aanpalend" zeggen, maar dat klonk minder onroerend goed. Het terras was - net als de rest van de stad - vol. Hij kon nog een plekje vinden aan één van de lange tafels aan het uiteinde van het terras. De man keek uit over de Amstel. Een rondvaartboot rondde de bocht en maakte zich op om in de richting van de Magere Brug te varen.

Naast de man zat een Amsterdammer van zijn eigen leeftijd een krant te lezen. Met enige regelmaat ging zijn krant omlaag en keek hij nors over de rand heen, het terras afspiedend. De man vermoedde dat de krantenlezer iets wilde bestellen. Er was echter geen ober op het terras te zien. De krantenlezer had echter al eens geluk gehad, want voor hem stond een leeg glas bier.
Maar nu hadden beide minder geluk. De ober bleef weg - het bierglas van de krantenlezer bleef leeg en de man kon slechts gelaten over de bocht in de Amstel uitkijken.

Hij keek stiekem op zijn horloge. Hoe lang zou het duren voordat een ober eindelijk het overvolle terras zou betreden? Een klein golfje paniek overviel de man opeens. Zou hij zelf zijn drank moeten gaan halen aan de bar? Bij nader inzien leek hem dat onlogisch. Bij binnenkomst was de bar geheel verlaten geweest. Iedereen zat buiten, op het terras. Slechts diegenen, die hun stem wensten te horen weergalmen in het kathedraalachtige interieur hadden binnen een tafeltje gekozen. De man herinnerde bovendien zich dat hij een ober, met een vaatdoek hangend aan zijn broekband, door het café had zien lopen. Hij besloot dat er bediening aan tafel zou zijn.

Het zou nog wel even gaan duren. Moeizaam haalde hij een leren etui uit zijn schoudertas tevoorschijn. Er kwam met enige moeite een sigaar uit het foedraal. Hij herhaalde het ritueel van het uit de tas halen van het foedraal in omgekeerde richting en combineerde het met een zoektocht naar zijn aansteker. Die moest zich ergens los onder in de tas bevinden. Na enig gerommel vond hij de aansteker en stak zijn sigaar aan.

De krantenlezer naast hem liet opnieuw zijn krant zakken en zuchtte geïrriteerd. De man keek vanuit zijn ooghoeken naar hem en constateerde dat zijn buurman op het punt stond een belangrijke beslissing te nemen.

De beslissing kwam niet, voorkomen door het verschijnen van een ober. Deze leegde een dienblad op verschillende tafels en kwam als door een magneet aangetrokken in de richting van de tafel van de man en de krantenlezer. "Kan ik u helpen", vroeg de ober toonloos aan de man. De man bestelde een bier. De ober maakte aanstalten om zich om te keren en te verdwijnen.
De krantenlezer liet abrupt zijn krant zakken. "Heb je voor mij ook nog een pilsje?" vroeg hij op luide toon, "tenminste, als je er tijd voor hebt hoor, want ik wil niet lastig wezen."

De ober mompelde iets onverstaanbaars, maar uit zijn reactie begreep de man dat de bestelling van de krantenlezer was toegevoegd. De ober verdween weer naar binnen.

Opnieuw liet de krantenlezer zijn krant zakken. Hij richtte zich onverhoeds tot de man en zei "Het is toch ongelofelijk! Een bomvol terras en ze laten één man rondlopen."

Na deze mededeling plaatste hij zijn krant weer op de oude plek en ging hoofdschuddend door met lezen.

Er kwam weer een rondvaartboot langs. De rondvaartboot was vol.
Net als de stad. En het terras.