Doorwerken

De man keek onthecht naar buiten. De trein reed de Residentie uit en passeerde een bedrijventerrein in ontwikkeling. Het was nog licht. De duisternis begon het te verliezen van het naderende voorjaar. Hij zat in een eenzaam geplaatste stoel in de kop van het rijtuig. Langs de trein lopend had hij elke coupé verkend tot hij van een zitplaats zonder buurman of buurvrouw verzekerd was. De man was een slecht reisgenoot. Hij hekelde het volk dat de trein als een kruising tussen een snackbar en een telefooncel zag. Mensen die hun lijven in de stoel naast hem persten met slechts enkele wensen: eten en tegen hem aan hangen.

Op het station had een fabrikant van chips in de ogen van de man eveneens een verkeerde uitleg aan het begrip 'openbaar vervoer' gegeven door zakjes chips uit te delen. Een groot deel van de passagiers in de coupé zat luidruchtig met de wee stinkende chipszakjes op schoot. Eten doe je in de trein, niet thuis. De man dacht aan een aflevering van een science fictionserie, waar een buitenaards ras de bemanning van het Aardse ruimtevaartuig verontwaardigd buiten de deur had gewerkt omdat zij gewaagd hadden in het openbaar te eten. Met weemoed dacht de man terug aan de serie.

Een sterk kalende treinreiziger met een haviksprofiel kwam de coupé ingelopen met aan zijn oor geklemd de te verwachten mobiele telefoon. In de linkerhand had hij het zakje chips, op de rug een rugzak. Hij liet zich druk pratend in zijn telefoon in de stoel voor de man ploffen. Al snel begreep de man dat het gesprek over het werk ging. Het onderwerp leek op 'eisen te stellen aan elektrische apparaten". Nadat dit gesprek was afgerond, scheurde de uitgebelde voorbuurman het zakje chips open en begon te eten, onderwijl nerveus heen en weer wiebelend in zijn stoel, zijn hoofd draaiend van links naar rechts, alsof hij ieder moment door een luipaard kon worden besprongen.

Lang duurde het heen-en-weer-gezwaai niet. De mobiele telefoon ging opnieuw. De voorbuurman legde zijn zakje chips terzijde met zijn rechterhand, kruiste met zijn linkerarm voor zijn lichaam langs naar zijn rugzak op de stoel naast hem, waar de telefoon lag te wachten op een nieuw gesprek. Opnieuw bleek het onderwerp 'werk' te zijn. Oostenrijkers waren strenger dan Duitsers met de normen, vernam de man via zijn medereiziger.

De man schudde inwendig het hoofd. De treinreis was voor hem een stiltemoment, een moment van reflectie. 's Morgens las hij, 's avonds keek hij in gepeins verzonken naar buiten, recht in het niets. Voor een groeiende groep mensen leek dit steeds onbereikbaarder te worden. Iedere seconde zonder hinder aan het hoofd werd klaarblijkelijk als een verloren seconde beschouwd. Verbaasd vroeg de man zich af waarom zijn voorbuurman zijn werk verlaten had. Was het niet logischer geweest als hij gewoon op kantoor gebleven was? Dan hadden zijn collega's hem op kantoor kunnen bezoeken, bellen of spreken. Waarom je kantoor verlaten als je toch niet van plan was met werken te stoppen? De man kwam er niet uit. Zijn eerste hypothese was dat de meeste mensen dikdoeners waren die graag belangrijk gevonden wilde worden, en de immer rinkelende telefoon hoorde daar blijkbaar bij. Maar een telefoon heeft uiteindelijk twee gebruikers. Zou de andere beller ook een Wichtigmacher zijn? Zou het halve mobiele telefoonverkeer bestaan uit bellende nonvaleurs met een egoprobleem? De man gaf het op.

Zijn voorbuurman uiteindelijk ook. Die zakte weg in een diepe slaap, die slechts bij het naderen van de Domstad door het knetterende stemgeluid van de conducteur werd verbroken.

De man stropte zijn das, deed zijn jas aan, en zette zijn pet op. Inwendig vloekte hij. Hij had minder moeten denken, en meer uit het raam moeten staren. Hij trooste zich met de gedachte dat hij binnen 12 uur opnieuw in de trein zou zitten. Nieuwe ronde, nieuwe kansen.