Koninginnedag

De man stond op het grasveld achter het gemeentehuis. Het was de avond van Koninginnedag. Op het midden van het grasveld zouden, ter afsluiting van de feestdag, diverse drumbands heen en weer gaan paraderen. Boven het grasveld zweefde aan het eind van de ladder van een brandweerwagen een vijftal fel brandende lampen. Om het grasveld heen bevonden zich de restanten van de jaarlijkse lampionoptocht. De kinderen holden vrijelijk over het grasveld heen en weer. Het aangebrachte afzetlint verhinderde dat niet. Jaren geleden had de man zelf behoord tot de restanten van die optocht. Maar de neefjes en nichtjes met wie hij had meegelopen waren nu groot, en bevonden zich in de diverse cafés in het oude dorp. Alcohol had voor hen de lampolie vervangen.

Naast het bordes had drumband "Fraternitas" zich opgesteld. De drumband was al sinds jaar en dag de vaste openingsact van de feestavond. Op het bordes zelf stond een jongeman die door het Oranjecomité was aangewezen als spreekstalmeester. Uit zijn weifelende toon viel op te maken dat het een hele verantwoordelijkheid voor hem was. Onzeker, maar met groeiend volume, meldde hij de aanwezigen: "En dan nu drum- en showband De Pink Panthers uit Alphen aan den Rijn!" Er volgde een stilte. Fraternitas bewoog zich niet. Geschrokken nam de jongeman opnieuw het woord en zei: "O nee, natuurlijk, ik vergis me. Het is natuurlijk Fraternitas uit Utrecht!"

Fraternitas was dit jaar vanwege de samenloop van schoolvakanties en Koninginnedag sterk uitgedund. Een twaalftal leden blies en drumde dapper, maar indrukwekkend wilde het niet worden.
Nog twee andere korpsen volgden. Het korps uit Tilburg, gehesen in brandweerachtige rode jasjes, stak in prestatie duidelijk boven de twee andere korpsen uit. De man vond de moderne medleys die de korpsen speelden eigenlijk maar niets. Marsmuziek, dat moesten korpsen spelen. Vrolijke, opgewekte marsen, zoals die van de Marinierskapel. Geen compilaties van Abba, Toto of The Sound of Music. Desalniettemin klapte de man voor ieder van de prestaties die de korpsen leverden.

Ter afsluiting nam de interim-burgemeester het woord om de aanwezigen, de deelnemers en de organisatie uitvoerig te bedanken. Hij besloot zijn dankwoord met een oproep. "Ik hoop u ook volgend jaar weer allemaal terug te zien, hier in Spijkenisse." Dat lokte een opgewonden gejoel uit, daar Spijkenisse - zijn oude werkgever - zeker 70 kilometer zuidwestelijker gelegen was. "Dat moest een keer gebeuren!" riep de burgemeester joviaal. "Het is nog even wennen!" Het publiek was goed gehumeurd en vergaf de tijdelijke burgervader zijn verspreking.

Die burgervader vervolgde zijn verhaal met de aankondiging dat alle korpsen nu het veld op zouden komen en gezamenlijk twee coupletten van het Wilhelmus zouden spelen. De man bereidde zich voor op het jaarlijkse spel van inpassen en invoegen van de drie aanwezige korpsen. Hij gokte erop dat het korps met de rode jasjes de dirigent zou leveren. Zijn gok was juist.

De drie bands zetten het Wilhelmus in. Het eerste couplet ging vlekkeloos. Daarop werd vol goede moed het tweede couplet ingezet. Dat ging niet goed. Een van de drie bands begon te vroeg en de andere twee volgden niet gelijktijdig; noch met de eerste band, noch met elkaar. De kakofonie was ontstellend. De bands speelden echter door, in de hoop elkaar weer te vinden en de gelijktijdigheid opnieuw tot stand te kunnen brengen.

De man stond geïntrigeerd toe te kijken. Zou het de korpsen lukken? En zo niet, hoe zouden ze het probleem dan oplossen? De bands bleven alle drie hardnekkig ongelijk doorspelen. Het leek erop alsof het hele Wilhelmus zou ontaarden in een moderne muziekinterpretatie die een vooraanstaand jazzdeskundige ooit eens "piepknor" had genoemd. De man besloot dat het niet meer goed zou komen. Enerzijds was hij geamuseerd, anderzijds enigszins gegeneerd. Het was per slot van rekening het volkslied.

Uiteindelijk kreeg de dirigent de drie korpsen na een korte pauze toch weer in het gareel. Het volkslied was gered. Met een beschaafd applaus verlieten de drie korpsen trommelend het veld. Een van de korpsen liep nog een extra rondje.
De brandweer doofde de grote lampen die boven het veld aan de uitgeschoven ladder van de ladderwagen hingen. De omstanders spoedden zich naar de uitgang; op weg naar huis om het jonge kroost in bed te stoppen.

Ook de man liep weg. Voor hem zou het Wilhelmus nooit meer hetzelfde zijn.