Orhan Pamuk - Istanbul. Herinneringen en de stad



Hüzün; weemoed, een nostalgisch gevoel van verlies en verval. Orhan Pamuk kenschetst er Istanbul en haar bewoners mee, en tevens zichzelf. Istanbul is voor hem de stad van de immer aanwezige Bosporus, maar vóór alles de stad van de vergane glorie. Ooit het bijzondere Constantinopel, later opgesloten tussen de beeldvorming van het valse verwesterde ideaal van Atatürk en het even zozeer vals romantische westerse ideaalbeeld van de sultans en de serail.

Pamuk benadrukt het gevoel nog eens door een enorme hoeveelheid oude zwart-wit foto's die niet het diepe blauw van de magnifieke Bosporus toont, maar het grauwe van de winterdag, de gehaaste voetgangers over de bruggen van de stad. De vervallen buurten, zwervend door de coulissen van de stad, weg van de toeristische attracties als de Hagia Sophia, het Topkapi paleis of het Rumelihisari. Pamuk beschrijft Istanbul als stad en dorp tegelijk.

De stad wordt gebruikt als decor voor de opgroeiende Orhan, die zich een verdwaald buitenbeentje voelt in een wereld van rijkdom in verval, zowel persoonlijk als sociaal. Hij mag zich dan wel 'displaced person' voelen, maar Istanbul is tegelijkertijd de enige plek die hij wil kennen en koesteren. Door de verwevenheid met de stad is hij ook verweven met het gevoel van hüzün in zijn eigen innerlijk. De gebeurtenissen in zijn familie zijn als het pars pro toto voor de hele leefgemeenschap. Disfunctioneel maar warm, cultureel rijk en verarmd, verstrengeld in een dans door de essentie van de stad.

Het boek zit vol met lange, meanderende zinnen die de continue gedachtestroom van Pamuk afzetten tegen het door hem gepercipieerde, langzame verval van Istanbul. Uit het boek komt een merkwaardige dichotomie van ontworteling en verknoping naar voren. Orhan Pamuk doet aan zelfonderzoek op dezelfde manier waarop hij Istanbul onderzoekt. Soms lijkt hij in een spagaat te geraken: een voorbeeld daarvan is zijn beschrijving van de Franse schrijvers en kunstenaars uit de 19e eeuw die Istanbul probeerden te vangen in hun reisverhalen en schilderijen. Ze zijn een groot voorbeeld voor hem, maar ontlokken ook kritiek vanwege hun stereotiepe beelden van Oosterse faux romantiek.

Het boek weet de atmosfeer die Pamuk kiest feilloos over te brengen op de lezer. Het is een boeiende slingertocht, afwisselend door Istanbul en door het hoofd van de schrijver. Het is daarmee ook een boek vol stille, niet-opdringerige reflectie die telkens weer naar het volgende hoofdstuk doet verlangen. Een boek dat, als je het uiteindelijk voor de laatste keer sluit, je achterlaat met een gevoel van weemoed: de weemoed van Orhan Pamuk en zijn Istanbul, en de weemoed dat zijn verhaal bij de laatste pagina toch echt is afgelopen.