Robert Baer - See No Evil

In See No Evil, one of the CIA's top field officers of the past quarter century recounts his career running agents in the back alleys of the Middle East. In the process, Robert Baer paints a chilling picture of how terrorism works on the inside and provides compelling evidence about how Washington politics sabotaged the CIA's efforts to root out the world's deadliest terrorists. On the morning of September 11, 2001, the world witnessed the terrible result of that intelligence failure with the attack on the World Trade Center and the Pentagon. In the wake of those attacks, Americans were left wondering how such an obviously long-term, globally coordinated plot could have escaped detection by the CIA and taken the nation by surprise. Robert Baer was not surprised. A twenty-one-year veteran of the CIA's Directorate of Operations who had left the agency in 1997, Baer observed firsthand how an increasingly bureaucratic CIA lost its way in the post-cold war world and refused to adequately acknowledge and neutralize the growing threat of Islamic fundamentalist terror in the Middle East and elsewhere. A throwback to the days when CIA operatives got results by getting their hands dirty and running covert operations, Baer spent his career chasing down leads on suspected terrorists in the world's most volatile hot spots. As he and his agents risked their lives gathering intelligence, he watched as the CIA reduced drastically its operations overseas, failed to put in place people who knew local languages and customs, and rewarded workers who knew how to play the political games of the agency's suburban Washington headquarters but not how to recruit agents on the ground. See No Evil is not only a candid memoir of the education and disillusionment of an intelligence operative but also an unprecedented look at the roots of modern terrorism.

See No Evil is het relaas van ex-CIA-agent Bob Baer. De titel, de verkorte versie van het gezegde "See no evil, hear no evil, speak no evil", het equivalent van het Nederlandse "horen, zien, zwijgen", verwijst naar de mentaliteit die volgens Baer langzaam maar zeker bij de CIA in de jaren '80 en '90 binnensloop. Hij hekelt het risicomijdende gedrag waarbij de CIA uit angst voor de politieke mores van Washington een oogje dichtkneep voor de rauwe werkelijkheid in het Midden-Oosten. Het veroorzaakte volgens hem een gapend gebrek aan kennis over de regio toen het hard nodig bleek, aangezien men niet meer durfde te vertrouwen op mensen in het veld, maar zich in de vesting in Langley terugtrok en nog slechts vertrouwde op high-tech en satellietfoto's, die zowel letterlijk als figuurlijk voor een vertekend beeld van de werkelijkheid zorgden.

Baer schreef het boek na de aanslagen in september 2001, maar voor de oorlog in Iraq begon in 2003. Ook al heeft de aanvalsoorlog in Iraq niets te maken met de aanslagen in New York en Washington, toch zijn ze in de Verenigde Staten politiek onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Het boek is overigens geen specifieke kritiek op de politiek van de regering Bush. Baer maakt zich meer druk over de illegale Chinese fondsenwerving tijdens het bewind van president Clinton en zijn politieke campagnes. Dat is ook de periode (1997) waarin hij uiteindelijk zijn werkzaamheden neerlegt.

Als pamflet of politieke analyse schiet het boek te kort. Baer is zonder twijfel een deskundig vakspecialist, een case officer, een specialist die te velde "spionnen" werft en contact met hen onderhoudt. Maar zijn opmerkingen over de besluiteloosheid van Langley (het CIA- hoofdkwartier) en Washington zijn te weinig doordacht. Baer hekelt de "hoge politiek" voornamelijk omdat deze zo inflexibel met de mogelijkheden omgaat, van clandestiene informatieverwerving tot aan illegale intimidatieacties binnen bevriende naties. Baer kan de "regels zijn regels"-mentaliteit maar matig waarderen. Maar regels zijn er juist om mensen als Baer engiszins in het gareel te houden. Wie op de rand van de wet leeft, heeft harder regels nodig dan wie zich nooit een uitstapje tot aan de rand veroorlooft. Wat Baer meer parten heeft gespeeld is het inconsistente leidinggeven vanuit de Verenigde Staten zelf. Dat is de belangrijkste reden waarom de CIA langzaam in de "See No Evil" mentaliteit verviel: door het politieke gezwabber bedacht de CIA zich wel twee keer om risico's te nemen. Wie niet op zijn baas kan vetrouwen, zal zich stil houden en vervallen in SNIFO-gedrag.
Het lijkt erop alsof Baer op dit gebied vooral met Clinton een appeltje heeft te schillen. Dat is echter niet terecht. Clinton had inderdaad geen hoge dunk van de CIA, maar Baer lijkt dit te zien als een oorzaak, terwijl het er naar alle waarschijnlijkheid meer een gevolg van was. De ontwikkeling, waarbij de CIA steeds meer als politieke tool werd gebruikt dan als informatieverwervend instrument ten behoeve van het bepalen van die politiek, vond echter niet pas onder Clinton plaats. De eerste president die de CIA in toenemende mate op deze wijze misbruikte was Richard Nixon. Dat was nauwelijks meer dan 20 jaar na de oprichting van de dienst.

Het boek is echter wel een prachtige schets van het leven van een CIA-agent te velde. De verhalen over zijn tijd in Noord-Iraq worden meestal beschouwd als het belangrijkste onderdeel van het boek, maar dat doet Baer's verhaal echt te kort. De hoofdprijs verdient zijn beschrijving van het Libanon van de jaren '80. Wie leest hoe de diverse strijdgroepen en facties daar in de ultieme wetteloosheid langs, met en tegen elkaar leven, waant zich in een spannend boek over de Siciliaanse Camorra of de Amerikaanse La Cosa Nostra. Dit zijn geen religieuze of ideologische facties, dit is de beschrijving van een Maffia- en narcostaat in het kwadraat.

Zijn persoonlijke obsessie, het uitvinden wie verantwoordelijk was voor de aanslag op de VS-ambassade in 1983, de aanslag die uiteindelijk President Reagan dwong de militaire interventie in Libanon te beëindigen, is vooral interessant vanuit het oogpunt van de interactie tussen de talloze groepen die er volgens Baer bij betrokken zijn geweest en opereerden op het Libanese strijdtoneel. Baer laat zo zien dat in het Midden-Oosten iedereen aan iedereen vastgeplakt zit, van Palestijnse Fatah via Islamitische Jihad tot de Pasdaran, de Iraanse Revolutionaire Garde. Letterlijk iedereen en alles in het Midden-Oosten loopt Libanon in en uit alsof het land de locale stamkroeg is.

Daarnaast toont hij overtuigend aan hoezeer familiebanden in het Midden-Oosten essentieel zijn in het bestrijden van terrorisme. Hij toont er tevens mee aan waarom dat dit zo'n probleem vormt voor het westen. Typerend is het verhaal van de terrorist Abu Nidal die het in zijn hoofd haalde Koning Hoessein van Jordanië te bedreigen. Nadat Abu Nidal zeer succesvolle aanslagen had gepleegd op vliegvelden in Italië en Oostenrijk werd hij overmoedig en besloot hij achter de "afvallige" Hoessein aan te gaan, die hij "Koning der Pygmeeën" noemde. Hoessein stuurde zijn veiligheidsmensen achter Nidal aan. De Jordaanse veiligheidsdienst spoorde echter Nidal niet op, maar zijn familie. Deze werden onder dreiging aangezet contact op te nemen met hem en hem te waarschuwen voor de gevolgen voor hen als hij op de ingeslagen weg zou voortgaan. Nadien verpieterde Abu Nidal. Hij werd gedood in Bagdad in 2002. Baer laat zien dat hij de beste informatie heeft verkregen van spionnen die familie waren van de criminelen achter wie hij aanjoeg.

Hij sluit af met de observatie dat het belangrijk is om weer mensen op de grond te krijgen die ter plekke het zware en vieze werk van "Humint", Human Intelligence, weer op zich nemen. Zonder hen wordt informatie een stapel gegevens zonder menselijke context, en het is duidelijk dat die context het allerbelangrijkste is bij het inschatten van datgene wat de vijand morgen zal doen.

Het boek laat daarbij zien hoe moeilijk het is om balans te bewaren bij het verkrijgen van informatie over de ander - of die nu vijand is of niet. Maar het laat vooral zien hoe belangrijk consistentie en duidelijkheid als politieke en bestuurlijke hoofddoelen zijn. Zonder dat gaan mensen risicomijdend gedrag vertonen, en zij die daar grote moeite mee hebben gaan juist te veel risico's nemen, zichzelf daarmee transformerend tot ongeleide projectielen. En daar hebben we er in het Midden-Oosten al veel te veel van.