S.K. Tremayne - IJstweeling



Dissosiative Identity Disorder is het best bekend van de verhalen over therapeuten die hun patiënten zogenaamd verdrongen misbruik aanpraatten. In werkelijkheid is het een mechanisme om verder te kunnen leven met een ernstig (geestelijk) trauma.
Eeneiige tweelingen zijn genetisch identiek en als ze nog jong zijn niet via het DNA van elkaar te onderscheiden. Op latere leeftijd blijkt dat ze toch enig DNA-verschil kunnen hebben. Onder invloed van omgevingsfactoren kunnen bepaalde genen in- of uitgeschakeld worden; denk daarbij aan de gevolgen van roken, een buitenleven tegenover een kantoorbestaan en dergelijke verschillen in leefstijl.

Van daaruit gaan we naar IJstweeling, van S.K. Tremayne, de nom de plume van een nom de plume, Tom Knox, achter welke naam Sean Thomas, schrijver en journalist, schuilgaat (of zou gaan). Dit boek zou zijn debuut zijn. Het zij zo.

IJstweeling beschrijft het tragische verhaal van het gezin Moorcroft. Angus en Sarah waren in gelukkiger tijden gezegend met een goede baan en een tweeling, Lydia en Kirstie. Lydia is echter van het balkon gevallen en overleden.
Vervolgens gaat het ook niet goed met Angus en Sarah. Angus gaat aan de drank en verliest zijn baan, Sarah zit ook niet helemaal goed in haar vel. Als Angus dan het bouwvallige huis van zijn oma op een schier van het Schotse eiland Skye erft, besluit het tweetal hun Londense huis te verlaten en naar Schotland te trekken, vergezeld van Kirstie, hond, hamer en plamuurmes. En dan zou Kirstie nog wel eens Lydia kunnen zijn. Of toch niet?

Wie tijdens het verhaal zich al geschrokken afvroeg waarom je geestelijk zeer labiel de beslissing neemt je op zo'n moment in zulke uitermate lastige omstandigheden te begeven, zal zich dat na afloop, terugkijkend op het verhaal, nogmaals afvragen. Het verhaal is spannend en ongemakkelijk, met een toefje nepgriezel, maar de vooronderstelling "we gaan niet in een goedkoper flatje zitten om eerst de belangrijke zaken op orde te krijgen, maar naar Schotland op een verlaten eiland in een bouwval wonen en maar kijken waar het schip strandt" is gezien het begin en het einde goed noch logisch.
De nepgriezel verdwijnt met het uit de doeken doen van de niet echt onverwachte (of dramatische) plot maar wordt nog een keer in de epiloog dunnetjes overgedaan. Die voetnoot is niet succesvol en was bovendien niet nodig.

Wat overblijft is een verhaal dat het niet zozeer van de logica maar van het psychologisch verwarrende effect moet hebben. In welk hoofd zit ik? Maak ik alles mee wat ik lees? Wat is er eigenlijk allemaal waar van wat ik gehoord heb van de hoofdpersonen? Wie dat doet zal zich wat minder op het onnozele gehannes van de hoofdpersonen richten en wat meer op de vraag wie zich nu in welk stadium van verwarring bevindt. Sommigen zullen zich tijdens het verhaal afvragen met wie ze het meest te doen moeten hebben. Geloof me, zoals gebruikelijk zijn dat van begin tot het eind de kinderen.

Wie in een depressieve bui verkeert doet er niet verstandig aan dit boek op te pakken, want de sfeer is geweldig: tijdens het lezen voel je de moedeloosheid toenemen. Wie geïnteresseerd is in de menselijke psyche na een traumatische gebeurtenis kan zich als een ware Sigmund Freud in een niet-criminele whodunit vastbijten. Met DNA als voorafje en DID als toetje.

Drie sterren.