Tim Weiner - Legacy of Ashes

For the last sixty years, the CIA has managed to maintain a formidable reputation in spite of its terrible record, burying its blunders in top-secret archives. Its mission was to know the world. When it did not succeed, it set out to change the world. Its failures have handed us, in the words of President Eisenhower, “a legacy of ashes.” Now Pulitzer Prize–winning author Tim Weiner offers the first definitive history of the CIA—and everything is on the record. LEGACY OF ASHES is based on more than 50,000 documents, primarily from the archives of the CIA itself, and hundreds of interviews with CIA veterans, including ten Directors of Central Intelligence. It takes the CIA from its creation after World War II, through its battles in the cold war and the war on terror, to its near-collapse after 9/ll.

Het oordeel van de CIA op haar eigen website over dit uitstekende en goed gedocumenteerde boek van Weiner is voorspelbaar. Als de organisatie niet in staat is om de hoofdlijn van het verhaal van Legacy of Ashes te ontkrachten, grijpt ze naar de standaardoplossing voor dit soort situaties: elke slak detecteren en er vervolgens royaal zout op leggen. Begrijpelijk, want het oordeel is niet mals.

Toch komt de organisatie daar niet goed mee weg. Tim Weiner is in meer dan twintig jaar expert geworden op het gebied van het reilen en zeilen van de CIA. Zijn impliciete oordeel is kort en krachtig en goed verwoord in de titel van zijn boek, die is ontleend aan een uitspraak van President Eisenhower bij zijn vertrek uit het Witte Huis. De CIA is zo kort na haar oprichting al niet veel meer dan een rokende puinhoop; ze is zestig jaar later dusdanig stuk dat repareren schijnbaar geen zin meer heeft. Het recentelijk aanstellen van een Nationaal Veiligheidscoördinator na "9/11", de outsourcing van het CIA-werk en de overvleugeling door het Pentagon beschrijft Weiner als de treurmars tijdens de officieuze begrafenis van de CIA.

Weiner laat een groot aantal tragische en soms tragikomische figuren en gebeurtenissen de revue passeren. Vanaf de oprichting van de CIA in 1947 tot aan de oorlog in Irak grossierde de organisatie in mismanagement van een groot aantal (illegale) activiteiten. Activiteiten die – als het op eindresultaat aankomt - vrijwel altijd beter achterwegen hadden kunnen blijven. Verder blonk de dienst uit in immer inaccurate, foutieve of geheel ontbrekende informatie. De CIA is keer op keer in woord en daad gepreoccupeerd met een vijand die men wel wenst te bestrijden maar nimmer blijkt te begrijpen. Of het nu gaat op bananenrepublieken in Midden- en Zuid-Amerika, Cuba, de Sovjet-Unie, China, Vietnam, het Midden-Oosten of de "War on Terror" in de VS, Afghanistan en Irak, telkens blinkt de dienst uit in incompetentie. De incompetentie neemt dusdanige vormen aan dat het regelmatig tot het verlies van talloze mensenlevens leidt. Als één ding duidelijk wordt is dat het meest opzichtige falen in 1962, de Cubaanse operatie tegen aartsvijand Fidel Castro in de Varkensbaai, geen uitzondering maar regel was.

Kenmerkend over de ronduit amateuristische werkwijze van de CIA is het verhaal van Bill Daugherty. Deze CIA-baas in Iran wordt in 1979 door Iraanse revolutionairen gevangen genomen. Zij waren overtuigd met hem het opperhoofd van de geheime operaties in het gehele Midden-Oosten te pakken te hebben. Daugherty was echter net een paar maanden in dienst, en vertelde zijn gijzelnemers niet eens het Perzisch te beheersen. De gardisten van Khomeini reageren woedend en ontsteld op de belediging van een vijandige inlichtingendienst om zulk een amateur naar het gebied te sturen.

De litanie van mislukkingen is zo lang, en het aantal (vaak goedwillende) klunzen zo hoog, dat de lezer op plaatsen in het boek medelijden krijgt met de dienst en hoopt op een succesverhaal in het volgende hoofdstuk. De succesverhalen blijven – op de uitzondering van het voorspellen van de Zesdaagse Oorlog na – echter hardnekkig achterwegen. Er is een bittere noodzaak voor Weiner om de CIA de gifbeker van een doorlopend zwakke rapportkaart leeg te laten drinken. De schrijver toont overtuigend aan dat ook voor een machtig geachte organisatie als de CIA in het land dat het sterkste jongetje van de wereldklas is de weg naar de hel geplaveid blijkt met goede voornemens.

Proberen vroege CIA-opperhoofden zich nog simpelweg te verbergen voor hun politieke bazen, latere CIA-directeuren klagen steen en been over de politieke regel- en bemoeizucht. Weiner gaat er nauwelijks op in. Dat is eigenlijk het enige element dat Weiner naar mijn mening wat laat liggen. Wetten en regels voor inlichtingendiensten zijn er namelijk niet om deze diensten vrij spel te geven, maar om hun handelen te beperken. En met reden. Dit soort organisaties zal uit de aard der zaak altijd de grenzen opzoeken. Daarom hebben ze regels nodig. Het is zeker geen reden voor de CIA om mokkend over zoveel beperkingen te klagen. Niet de beperkingen die aan hun handelen worden gesteld zijn verantwoordelijk voor het falen van de dienst, maar het immer zigzaggende beleid van de dienst zelf. Als informatie niet beschikbaar was, werd getracht de situatie naar de eigen hand te zetten. Als daarbij brand uitbrak, holden de CIA-leiders hard weg van het brandende gebouw, de brandstichters die zij zelf het huis in hadden gestuurd hulpeloos achterlatend. Wat steevast volgde was het verstoppen van het zoveelste debacle in de diepe archiefzakken van de dienst.

Daarmee dringt zich uiteindelijk dezelfde vraag op waar Weiner's betoog ook naar toe leidt: kan een democratisch land eigenlijk wel samengaan met een zo stiekem opererende organisatie? De meest succesvolle diensten bevinden zich over het algemeen in de (tot voor kort) meest repressieve en wetteloze landen ter wereld. Landen waar een individueel mensenleven nog minder waard is dan er door de gemiddelde CIA-directeur voor wordt betaald. Ook al beantwoordt Weiner deze vraag niet direct, indirect maakt hij in de laatste hoofdstukken van zijn boek duidelijk wat zijn mening hierover is.

Zo slecht de dienst functioneert in het werk waarvoor ze is opgericht, zo goed is ze in het instand houden van haar imago. Nog steeds worden films en televisieavonden naast breinen van overspannnen aanhangers van complottheorieën gevuld met niet-bestaande ultrageheime CIA-operaties en hun vermeend verwoestende effecten.

Ook al zal het de Gelovigen niet afhelpen van hun CIA-paranoia, de rest van ons zal het boek na lezing geschrokken neerleggen, zich afvragend waarom zulk een misplaatst geloof in hemelsnaam ooit wortel heeft kunnen schieten.