Tinneke Beeckman - Macht en Onmacht



Wie een studie volgt waarin veel boeken moeten worden gelezen, krijgt vaak een stoomcursus hoe dit effectief te doen. Onderdelen daarvan zijn de inhoudsopgave doorlezen en natuurlijk de titel duiden. Voor het boek van Tinneke Beeckman, Vlaams filosofe, is dat laatste van weinig behulpzame aard. 'Macht en Onmacht' had net zo goed de alternatieve titel van 'vijftig tinten grijs' kunnen zijn. Of een pamflet van de marxistisch-socialistische studentenpartij - als zoiets nog bestaat.

Pamflet, bij tijd en wijle geen gekke omschrijving van het boek van Beeckman. Ze vraagt zich af waar de opmerkelijke reacties vandaan komen die volgden op de moord op de cartoonisten van Charlie Hebdo in januari 2015. Het gaat dan niet over de protesten tegen het smoren van de vrijheid van meningsuiting, maar vooral over de negatieve reacties: van de royale instemming vanuit de allochtone gemeenschap tot het overlopen van begrip van een flink deel van de West-Europese elite.

Haar verklaring is dat het postmodernisme zich heeft ingevreten in de cultuur van het vrije Europa. Dit postmodernisme vindt alles relatief: hoezo zou onze cultuur beter zijn dan hun cultuur? Het is in principe allemaal een zaak van hoe je er tegenaan kijkt. Dit soort gedachten zijn vooral te vinden bij mensen die tegenwoordig zo platvloers "Gutmenschen" worden genoemd. Beeckman bezondigt zich niet aan dat soort jargon, maar vraagt zich wel af waar die houding vandaan komt. Ze constateert dat westerse intellectuelen de voeling met religiositeit zodanig hebben verloren dat ze zich niet meer kunnen voorstellen dat een mens vanuit zijn geloof kan handelen. Het móet wel sociaal-economische onderdrukking en uitsluiting zijn!
Beeckman gaat op pad met de filosoof Heidegger, met Rousseau en Voltaire, Descartes, Diderot tot aan de schrijfster Ayn Rand. Daarmee komt ze op de stevige verweving van het postmodernisme met het neoliberalisme. Het is de "economistische tendens" van de hedendaagse samenleving waarin "rekensommen kunnen objectiveren wat zonder berekening alleen een subjectief waardeoordeel zou zijn."

Geëngageerdheid is een stellingname, en een stellingname is ook maar relatief, aldus die nihilistische postmoderne filosofie. Maar waarom, aldus Beeckman, zou dan fictie niet hetzelfde gewicht krijgen als de feitelijkheid? Bovendien wordt daarmee de illusie gewekt dat de waarheid afschaffen ook het probleem van machtsrelaties oplost. Immers, iedere mening is een particuliere machtsopvatting.
Macht. Beeckman spaart de roede zeker niet voor de politici die elk gezag kwijt zijn geraakt. Hun rest slechts het zich afzetten tegen hun voorgangers en het beschimpen van hun politieke tegenstanders. Ook de eenvoudige kiezer ziet geen enkel gezag meer en neemt zijn toevlucht tot complottheorieën. Daarbij wordt alles nauwgezet onderzocht, behalve het eigen denkproces. Ook hier gaat het volgens Beeckman weer om macht: "Complottheoretici zien hun vooronderstellingen in het kader van een machtsstrijd, waarin ze hun eigen rechten hebben. Het conflict gaat tussen enerzijds wie de macht heeft om de waarheid te onderdrukken, en anderzijds wie schijnbaar belangeloos voor de waarheid ijvert. De complotdenker maakt daarbij geen feitelijke reconstructie van oorzaak en gevolg, maar fabriceert een verhaal dat past binnen zijn visie op machtsrelaties."

De postmodernistische nihilist is overigens niet vies van moralisme. Maar het doel daarvan is iets heel anders: intimidatie van hen die het niet met de postmodernist eens is. " Die strategie werkt helaas wel;" constateert Beeckman, "mensen zijn gevoelig voor de morele status die ze toegedicht krijgen. Maar je integriteit hangt af van de methode , van de argumentatie, van de doelstelling van je werk. En niet van de naam die iemand je toeslingert."

Met het oog op recente gebeurtenissen in Keulen, waar honderden vrouwen in de nieuwjaarsnacht werden aangerand of zelfs verkracht door merendeels Noord-Afrikaanse jonge mannen en Syrische "vluchtelingen", is deze observatie meer dan actueel. Terwijl de details een gruwelijke werkelijkheid over antisociale onaangepastheid en agressieve afkeer van de westerse samenleving naar buiten kwamen, vonden "feministen" (waaronder een minister) het nodig om rond te toeteren dat iedereen die de misogyne cultuur van dit volk aan de orde wenste te stellen een racist was. De feitelijke aanranding van honderden vrouwen was voor hen ondergeschikt aan de mogelijkheid dat er onterecht een labeltje aan een zich misdragende man zou worden gehangen.

Tinneke Beeckman's boek is ook een pamflet tegen dit soort obsceen nihilisme en politiek hooliganisme. Daarbij is het tevens een pamflet met diepgang en respect voor de geschiedenis. Niet een geschiedenis die we met een vies gezicht van ons moeten werpen, maar een geschiedenis die we moeten koesteren, omdat deze ons mede gevormd heeft.

Het boek biedt niet veel concrete handvatten voor verbetering anders dan de mensen doordringen van de waarden en het verleden die ons beschaving hebben gebracht, en moed houden, ook als de modderkluiten je om de oren suizen. Maar de reflectie van Tinneke Beeckman is op zichzelf al een goede reflectie op de eigen blinde vlekken. Tenminste, voor hen die nog willen zien, in plaats van oordelen en wegrelativeren.