Umberto Eco - De Slinger van Foucault

We werden onderbroken door een meisje met een wijnvlek op haar neus en papieren in haar hand. Ze vroeg ons of we al getekend hadden voor de gearresteerde Argentijnse kameraden. Belbo tekende meteen, zonder het papier te bekijken. 'Die zijn er hoe dan ook slechter aan toe dan ik,' zei hij tegen Diotallevi die hem verbijsterd aankeek. Toen wendde hij zich tot het meisje: 'Hij kan niet tekenen, hij behoort tot een Indiase minderheid die het verboden is hun eigen naam te schrijven. Velen van hen zitten in de gevangenis omdat de regering ze vervolgt.' Het meisje wierp Diotallevi een begrijpende blik toe en gaf het papier aan mij. Diotallevi ontspande zich. 'Wie zijn het?' vroeg ik. 'Hoezo wie zijn het? Argentijnse kameraden' 'Ja, maar van welke groepering?' 'Taquara's natuurlijk!' 'Maar de Taquara's zijn fascisten,' dacht ik te weten. 'Fascist,' siste het meisje me nijdig toe. En ze verdween.



Het begint al bij de korte biografische noot over Umberto Eco op de achterkant van de omslag. Eco is "hoogleraar semiotiek". De kans bestaat dat menig lezer - overmoedig geworden na het lezen van de uiterst geslaagde en vermakelijke avonturen van William of Baskerville in The Name Of the Rose - het boek aanschaft en na enkele pagina's al in verwarring weglegt. Dat de auteur zich bezighoudt met semiotiek, wat dat dan ook mag zijn, is nog tot daar aan toe, maar wat te maken van deze encyclopedie van onsamenhangende feiten en verwijzingen, het eindeloos gepalaver vol onbegrijpelijke namen, plaatsen, en gebeurtenissen? Men heeft een bibliotheek of het halve Internet (jaren '90 zij dank) nodig om zich een weg te banen door dit oerwoud van intellectueel gepresenteerde feiten.

Dat is echter maar ten dele waar. Het boek - Eco is niet alleen expert op het gebied van de semiotiek, de leer van tekens en tekensystemen die mensen en dieren gebruiken (van letters tot associaties in commerciële reclameuitingen) maar is ook mediëvist, filosoof, en, hoe verrassend, schijver - heeft een ritme. Het boek is inderdaad geen geschikt leesvoer voor mensen zonder een bovengemiddelde kennis van de Middeleeuwse wereld en de geschiedenis van militaire kloosterorden. Maar wie die kennis wel heeft, en het metrum van het verhaal te pakken heeft, hoeft niet in detail op de hoogte te zijn van de intieme leer van de Kabbala of de talloze esoterisch gebeurtenissen, of van ieder van de dozijnen vol verwijzingen naar kunst, religie en geschiedenis. Het is vermakelijk om een nonchalant citaat van de hoofdpersonen te herkennen en te plaatsen, maar het is nooit een absolute noodzaak om het boek te begrijpen. Zodra de hoofdpersonen duidelijk geschetst zijn, de verteller Casaubon als realist en wetenschapper, de verzamelaar en duider van feiten, zijn vriend Belbo als de wanhopig naar innerlijke harmonie en vrede zoekende cynicus, en Diotallevi als zijn kritische en (uiteindelijk tragisch-)humoristische sidekick, zorgt de rolverdeling voor het elementaire begrip van het verhaal.

Wat is het verhaal? Het is zeker niet de voorspelbare keten van gebeurtenissen. Al snel is de essentie van die ketting duidelijk. Het boek gaat over de Tempelridders, die natuurlijk nog stiekem bestaan. Hun vernietiging na 1307 door de Franse koning, waar mensen zich zelfs in onze tijd nog boos over kunnen maken, is volgens het verhaal slechts een schijnbeweging geweest, een manoeuvre om ongestoord verder te kunnen, en de kabbalistische geheimen na zoveel keer zoveel jaar (plus nog wat, omdat de Tweede Wereldoorlog tussenbeide kwam) aaneen te smeden tot de ultieme kennis. Tot zover is het boek uiterst voorspelbaar. Maar wie denkt een thriller over een geheim genootschap in handen te hebben heeft het boek verkeerd begrepen. Het boek is veeleer een intellectuele grap. De drie hoofdpersonen zijn proofreaders bij een uitgever van occulte manuscripten en hebben duidelijk de buik vol van de onzin die ze dagelijks door moeten worstelen. Ze ontwikkelen daarom naar het lijkt uit pure ballorigheid een Plan, een samenzwering, een theorie van Alles, waarmee ze de malle verhalen over de Tempelridders belachelijk willen maken. Totdat blijkt dat de drie heren met hun intellectuele humor daadwerkelijk iets hebben aangeroerd dat voor hen maar beter onaangeroerd had gebleven. Op dat moment slaat ook bij hen de twijfel toe. Is kennis macht? Is het een straf? Is het weglopen voor je verantwoordelijkheid lafheid, of is het verstandige berekening? Het doet er niet toe - uiteindelijk krijgt iedereen de rekening gepresenteerd van zijn verleden, van zijn obsesssies, van zijn persoonlijke geheimen. Het gehele boek staat in het teken van het vermeende onderlinge verband dat door de geschiedenis heen mensen heeft doen kiezen voor duiding van leven en dood, voor religie en esoterie. Dat geldt voor de geschiedenis, en mutatis mutandis voor de hoofdpersonen. Uiteindelijk blijkt het allemaal onzin.

Is het een diepzinning filosofisch boek? Integendeel. Het boek is vol humor en met zelfspot geschreven. Het zit vol tragikomische en bizarre figuren en Eco heeft geen enkel probleem om deze figuren neer te zetten als excentrieke idioten die niet volwaardig te nemen zijn. Afgezet tegen de verhaallijn maakt dit duidelijk hoe weinig Eco hecht aan het vermeende centrale punt van het boek: het bestaan van een wereldomvattend en levensgevaarlijk Plan. Eco geeft daar een ondubbelzinnig antwoord op: er is geen plan, het is allemaal existentieel geneuzel, holistisch gekwetter. De hoofdpersoon is als Alice die verdwaalt in een wonderland zonder te beseffen dat het een door het eigen verstand gecreëerde waanzinnige droom is. En wat gebeurt er als je zo'n bizar verhaal bijeen droomt en je beseft dat het werkelijkheid is geworden bij het ontwaken? Nog sterker, als je tot de ontdekking komt dat jouw droom de werkelijkheid bepaalt?

Na lezing van het hele verhaal wil men zich afvragen: is het de werkelijkheid? Vertelt Casaubon ons wat hij heeft gezien, of wat hij denkt te hebben gezien? Zelfs hij twijfelt er aan. Is het allerhoogste weten dat er niets te weten is? Is het grootste geheim dat er geen geheimen zijn? Het klinkt obligaat, maar de hoofdpersoon wijdt er een waardevolle overdenking aan, die meer verklaart over de motieven van zijn vriend Jacopo Belbo dan over de potsierlijke hiërofanten die de slinger van Foucault als galg gebruiken. Eco omschrijft het met de woorden van Karl Popper: "De samenzweringstheorie van de maatschappij (...) is een consequentie van het verlaten van God, en van de vraag die daar uit volgt: 'Wie komt er in zijn plaats?' " Het antwoord van Eco is duidelijk: niets, omdat er met God ook al niets was. Er is geen samenhang, er zijn geen geheimen. Er zijn geen samenzweringen, er is geen pasklaar antwoord.

Het boek stamt alweer uit 1988, en ging daarmee vooraf aan talloze boeken over samenzweringen en geheime genootschappen. Wie dit boek in deze categorie wil onderbrengen, vergist zich echter. Het leunt zoals gezegd niet op het detectiveverhaal, noch op de ontmaskering van de geheime samenzwering. Dat maakt ook duidelijk dat het boek niet voor elck wat wils is. Als detectiveverhaal is het te voorspelbaar, als semiotische verhandeling, filosofie- of geschiedenisboek te weinig verklarend. Maar de twee elementen wetenschap en detective komen als duo heel geslaagd bijeen in de ontwikkeling van de hoofdpersonen en de ontrafeling van hun verhaal. Het is voor alles een hilarisch boek over de ontwikkeling van drie in hun gedrag clowneske karakters, die hun obsessieve fantasieën met een bizarre werkelijkheid moeten bekopen.