Umberto Eco - Het Nulnummer

 


De Boekenweek dient de populariteit van het (papieren) boek te stimuleren. Strikt genomen hoeft dat bij mij niet gestimuleerd te worden, maar een tandje extra bijzetten om de boekenkast voller dan overvol te krijgen heeft nu eenmaal een aanleiding nodig.

De afgelopen Boekenweek besloot ik me te beperken tot twee boeken. Het eerste boek werd een prachtig visueel overzichtswerk van Alexander Roob over de betekenis van alchemie en mystiek en hun wortels in de oudheid. Het tweede boek was Umberto Eco's laatst verschenen boek, Het Nulnummer.

In 1988 schreef Eco, na het vermakelijke De Naam van de Roos het magistrale De Slinger van Foucault. Veel mensen vinden het boek nog steeds dikdoenerij en een intellectuele poging Dan Brown's Da Vinci Code na te doen. Helaas voor hen was De Slinger van Foucault Dan Brown's bordkartonnen verhaaltje vijftien jaar voor. Het was ook helemaal geen samenzweringsroman, ook al wordt door de hoofdpersonen een verrukkelijke samenzweringstheorie over de Tempeliers en de Tellurische stromen onder de tempel van Jeruzalem ontwikkeld - met desastreuze gevolgen.

De Slinger van Foucault had een ander mikpunt: de complottheorie zelf, of liever: de stompzinnigheid van complottheorieën. Eco benadrukt dat nog eens met een citaat van Karl Popper aan het eind van het boek: "De samenzweringstheorie van de maatschappij (...) is een consequentie van het verlaten van God, en van de vraag die daaruit volgt: 'Wie komt er in zijn plaats?'" Mensen, aldus Eco, kunnen het niet laten om al hetgene om hen heen gebeurt te duiden als een samenzwering - het liefst van kwaadwillige hogergeplaatsten. Terwijl de werkelijkheid bestaat uit toeval, voortstruikelende klunzigheid en incompetentie, zoals bij de nazaten van de Tempeliers in De Slinger.

Het is verleidelijk om ook van Het Nulnummer zo'n complotverhaal te maken. Maar nee - het zou zelfs ooit bijna gediend hebben als een inleiding van De Slinger van Foucault, aldus Eco. Het is ook hier weer duidelijk dat Eco iets anders met het boek voor ogen heeft. Niet een zot complot, dat nog wel eens waar kon zijn ook (althans in het boek), maar de wijze waarop ermee wordt omgegaan. De ontdekker van het complot wordt vermoord. Het complot wordt een paar dagen later zonder enige reuring te geven in geuren en kleuren uitgezonden op de televisie; de ontdekker lijkt een volkomen overbodige dood ingedreven te zijn. Alles in het leven herneemt onmiddellijk zijn ongeïnteresseerde loop. Conclusie: de pers is een en al manipulatie en bedrog, de politiek en alle officiële diensten zijn openlijk en schaamteloos corrupt, en uiteindelijk heeft zelfs deze corruptie en misdadigheid in alle openheid geen enkel effect op de gemiddelde burger. Aan het eind van het boek vergelijkt Eco zijn Italië zelfs met de (vanuit het perspectief van 1992 gezien) bananenrepublieken in Midden- en Zuid-Amerika. Hoeveel moraal kun je in een verhaal stouwen.

Alles bij elkaar is het verhaal eigenlijk niet zo heel erg sterk. Verrassingen zitten er niet in. Het complot bestaat uit het simpelweg aan elkaar plakken van allerhande, van Gladio en vrijmetselaarsloge Propaganda Due (P2) tot een gevluchte Mussolini, de CIA en de Partizanen. De hoofdpersonen ratelen als ADHD-ers; de hoeveelheid feiten en feitjes stroomt als een waterval over de lezer. Leuk zijn wel de excursies in het verborgen Milaan, maar daar blijft het zo ongeveer bij.

Als cynische observatie was De Slinger van Foucault briljant. Bij het verhaal van Het Nulnummer blijft de dolksteek achterwege. Wat rest is een holderdebolderverhaal dat te kort is om interessant te worden en te gedetailleerd om overtuigend te zijn als maatschappijkritiek. Terwijl De Slinger van Foucault de lezer vertelde "doe niet zo stompzinnig, want je stompzinnigheid kan nog stompzinniger consequenties hebben" zegt Het Nulnummer ons niet veel meer dan dat pers, politiek en publiek elkaar - bedoeld en onbedoeld - in een cynische houdgreep houden.